www.learndutch.nu

------Learn Dutch courses

  Lesson 3
3.1 Weak verbs

3.2 Tenses of 'to be'
3.3 Tenses of 'to have'
3.4 Inversion of subject and verb
3.5 Not
3.6 New words 3
3.7 Saturday at the van Dam's

 
 
   
 



Weak Verbs:

The verb `werken'(to work) can serve as a model for a group of so-called weak verbs which are all conjugated the same way and form the various tenses on the same principles. These verbs are called `weak' because the stem of the verb, in this case `werk', never changes.

werken(to work)

Person Present Indefinite Past Indefinite Present Perfect
ik werk ik werkte ik heb gewerkt
jij werkt jij werkte jij hebt gewerkt
hij werkt hij werkte hij heeft gewerkt
3 zij werkt zij werkte zij heeft gewerkt
3 het werkt het werkte het heeft gewerkt
wij werken wij werkten wij hebben gewerkt
jullie werken jullie werkten jullie hebben gewerkt
zij werken zij werkten zij hebben gewer

 

luisteren(to listen)

Person Present Indefinite Past Indefinite Present Perfect
1 ik luister ik luisterde ik heb geluisterd
2 jij luistert jij luisterde jij hebt geluisterd
3 hij luistert hij luisterde hij heeft geluisterd
3 zij luistert zij luisterde zij heeft geluisterd
3 het luistert het luisterde het heeft geluisterd
1 wij luisteren wij luisterden wij hebben geluisterd
2 jullie luisteren jullie luisterden jullie hebben geluisterd
3 zij luisteren zij luisterden zij hebben geluisterd

Words that have a k, f, s, ch, or p before the `-en' in the infinitive, such as `werken' above, form the Past Tense and Perfect Tenses by means of a t; all other weak verbs take a d.

Note: The same happens in spoken form in English words: a t is heard in `worked' and `chopped' although these words are spelled with a d. In words like `listened' and `lived' on the other hand, a d sound is heard. An easy way to remember which words take t is to form a word of the letters mentioned above, namely KoFSCHiP.

Other verbs in this group are: wandelen(to stroll, to go for a walk), poetsen(to brush), fietsen(to bike), branden (to burn), winkelen(to go shopping), antwoorden(to answer), regenen(to rain), tekenen(to draw), oefenen(to practice, to exercise), and zeilen(to sail).

Exercise 31. Conjugate the words in the previous paragraph in the same way as in the examples above.

A verb which is also `weak' because the stem doesn't change, is, for example, `wonen'(to live, to reside). Words like `wonen' are here put in a different group because of the difference in spelling.

wonen

Person Present Indefinite Past Indefinite Present Perfect
1 ik woon ik woonde ik heb gewoond
2 jij woont jij woonde jij hebt gewoond
3 hij woont hij woonde hij heeft gewoond
1 wij wonen wij woonden wij hebben gewoond
2 jullie wonen jullie woonden jullie hebben gewoond
3 zij wonen zij woonden zij hebben gewoond

The stem of the verb `branden' ends on a `d' (brand). When `de(n)' is added for the past tense, there will be two d's.

Branden:

Person Present Indefinite Past Indefinite Present Perfect
1 ik brand ik brandde ik heb gebrand
2 jij brandt jij brandde jij hebt gebrand
3 hij brandt hij brandde hij heeft gebrand
1 wij branden wij brandden wij hebben gebrand
2 jullie branden jullie brandden jullie hebben gebrand
3 zij branden zij brandden zij hebben gebrand

Other verbs that belong to the same group are, among others, leren(to learn), maken(to make), smaken(to taste), spelen(to play), parkeren(to park), horen(to hear), koken(to cook or boil), lenen(to lend or borrow), plagen(to tease), halen(to fetch), and menen(to mean).


Exercise 32. Conjugate the verbs above in all three given tenses.



3.2 Tenses of 'to be'
Tenses of `zijn':
 

Present Indefinite Past Indefinite Present Perfect
ik ben ik was ik ben geweest (I have been)
jij bent jij was jij bent geweest
hij is hij was hij is geweest
wij zijn wij waren wij zijn geweest
jullie zijn jullie waren jullie zijn geweest
zij zijn zij waren zij zijn geweest

3.3 Tenses of 'to have'
Tenses of hebben:

Present Indefinite Past Indefinite Present Perfect
ik heb ik had ik heb gehad
jij hebt jij had jij hebt gehad
hij heeft hij had hij heeft gehad
wij hebben wij hadden wij hebben gehad
jullie hebben jullie hadden jullie hebben gehad
zij hebben zij hadden zij hebben gehad

Exercise 33. Change the following sentences first in the Past Tense and then in the Present Perfect Tense:

1. Ik heb een zusje. 2. Wij hebben een mooi huis. 3. Jij hebt een broer. 4. Hij heeft drie kinderen. 5. Jullie hebben een tafel. 6. Zij heeft twee zusjes. 7. Zij hebben een huis.

Verbs expressing motion or change of state:

The verbs `komen' (to come), `gaan'(to go), `worden'(to become), `gebeuren'(to happen), `zijn', and certain other verbs ,if they express motion to a destination, such as `fietsen', `zwemmen'(to swim), `rijden'(to ride), `vertrekken'(to leave or depart), `lopen'(to walk), etc. take the helping verb `zijn'.

ik ben gekomen, jij bent gekomen, hij is gekomen, etc. ik ben gegaan, jij bent gegaan, hij is gegaan, etc.

ik ben (naar school (to school)) gefietst, etc.

Also: de trein is vertrokken (the train has left), etc.

het is gebeurd (it has happened), etc. het is koud geworden (it has become cold), etc.

Also: hij is geboren (he was born), etc. hij is gestorven (he has died), etc. zij is getrouwd (she was married), etc.
 

Exercise 34. Give the correct form of the verb, in the Present Tense, the Past Tense, and the Present Perfect Tense:

1. Ik (zijn) (g)een meisje.

2. Mary (zijn) ook een meisje.

3. (Zijn) jij een man of een vrouw?

4. Hij  (hebben) een goed boek.

5. (Hebben) jij  ook een mooi boek?

6. De jongen (wandelen) in de tuin.

7. Mary (werken) in de stad.

8. (Luisteren) jullie naar de radio?

9. Philip (luisteren) niet.

10. Hij (praten) te veel.

11. De atleet (oefenen) elke morgen (morning).

12. Waar (planten) je vader de boom?

13. Ik (kennen (to know a person) de vrouw niet.

14. Suzan (branden) haar vinger.

15. (Zagen (to saw, cut) jij het hout voor het vuur?

16. (Wonen) (to live) je vriendin in Grand Rapids?

17. Nee, zij (wonen) in Grand Haven.

18. Ik (pakken) het boek van de tafel.

19. Waar (zijn) het boek?

20. Het kind (spelen) (to play) buiten (outside).

21. Waar (maken) ze auto's?

22. Zij (singular) (studeren) Nederlands.

23. De student (beantwoorden) de vraag (question).

24. (Oefenen) jij elke (every) dag op de piano?

25. De speler (raken) (to touch) de bal (ball).

No.

Present tense

Past tense

Present Perfect tense

1

Ik ben (g)een meisje.

Ik was (g)een meisje.

Ik ben (g)een meisje geweest.

2

Mary is ook een meisje.

Mary was ook een meisje.

Mary is ook een meisje geweest.

3

Ben jij een man of een vrouw?

Was jij een man of een vrouw?

Ben jij een man of een vrouw geweest?

4

Hij heeft een goed boek.

Hij had een goed boek.

Hij heeft een goed boek gehad.

5

Heb jij ook een mooi boek?

Had jij ook een mooi boek?

Heb jij ook een mooi boek gehad?

6

De jongen wandelt in de tuin.

De jongen wandelde in de tuin.

De jongen heeft in de tuin gewandeld.

7

Mary werkt in de stad

Mary werkte in de stad

Mary heeft in de stad gewerkt.

8

Luisteren jullie naar de radio?

Luisterden jullie naar de radio?

Hebben jullie naar de radio geluisterd?

9

Philip luistert niet.

Philip luisterde niet.

Philip heeft niet geluisterd.

10

Hij praat te veel.

Hij praatte te veel.

Hij heeft te veel gepraat.

11

De atleet oefent elke morgen.

De atleet oefende elke morgen.

De atleet heeft elke morgen geoefend.

12

Waar plant je vader de boom?

Waar plantte je vader de boom?

Waar heeft je vader de boom geplant?

13

Ik ken de vrouw niet.

Ik kende de vrouw niet.

Ik heb de vrouw niet gekend.

14

Suzan brandt haar vinger.

Suzan brandde haar vinger.

Suzan heeft haar vinger gebrand.

15

Zaag jij het hout voor het vuur?

Zaagde jij het hout voor het vuur?

Heb jij het hout voor het vuur gezaagd?

16

Woont je vriendin in Grand Rapids?

Woonde je vriendin in Grand Rapids?

Heeft je vriendin in Grand Rapids gewoond?

17

Nee, zij woont in Grand Haven.

Nee, zij woonde in Grand Haven.

Nee, zij heeft in Grand Haven gewoond.

18

Ik pak het boek van de tafel.

Ik pakte het boek van de tafel.

Ik heb het boek van de tafel gepakt.

19

Waar is het boek?

Waar was het boek?

Waar is het boek geweest?

20

Het kind speelt buiten.

Het kind speelde buiten.

Het kind heeft buiten gespeeld.

21

Waar maken ze auto’s?

Waar maakten ze auto’s?

Waar hebben ze auto’s gemaakt?

22

Zij studeert Nederlands.

Zij studeerde Nederlands.

Zij heeft Nederlands gestudeerd.

23

De student beantwoordt de vraag.

De student beantwoordde de vraag.

De student heeft de vraag beantwoord.

24

Oefen jij elke dag op de piano?

Oefende jij elke dag op de piano?

Heb jij elke dag op de piano geoefend?

25

De speler raakt de bal.

De speler raakte de bal.

De speler heeft de bal geraakt.

Exercise 35. Change the following sentences first a) into the Past, then b) into the Present Perfect Tense.

1. Meneer Van Dam werkt in Amsterdam.

2. Hij heeft een mooi huis.

3. Hij woont niet in de stad.

4. Is zijn vrouw ziek?

5. Mevrouw Van Dam fietst elke dag naar de stad. (motion)

6. Haar dochter (daughter) gaat(ging - gegaan: to go) ook naar de stad.

7. Zij praten met de bakker.

8. De bakker bakt (bakte - gebakken) heerlijk (delicious) brood.

9. Het regent vaak (often) in Nederland.

10. De studenten luisteren naar (to) de leraar (teacher).

11. Zij kennen de goede antwoorden.

12. Ik hoor een man in het huis.

13. Mijn zuster leert elke dag veel nieuwe woorden.

14. Wij oefenen in de garage.

15. De groente van de markt smaakt heerlijk.

16. Lenen jullie altijd geld bij de bank?

17. De baby speelt in de kinderkamer.

18. Vader parkeert zijn auto voor de voordeur.

19. Kook jij de groente altijd zo lang?

20. De vrouwen winkelen in de stad.

21. Het vuur brandt al(already) een uur.

22. Ik zeil graag(with pleasure) op het IJsselmeer.

23. Waarom (why) beantwoord je mijn vraag niet?

24. Zij halen (to fetch) de fiets uit (from) de schuur (shed).

25. Wim plaagt de hond.  
 

1

Meneer Van Dam werkt in Amsterdam.

Meneer Van Dam werkte in Amsterdam.

Meneer Van Dam heeft in Amsterdam gewerkt.

2

Hij heeft een mooi huis.

Hij had een mooi huis.

Hij heeft een mooi huis gehad.

3

Hij woont niet in de stad.

Hij woonde niet in de stad.

Hij heeft niet in de stad gewoond.

4

Is zijn vrouw ziek?

Was  zijn vrouw ziek?

Is zijn vrouw ziek geweest?

5

Mevrouw Van Dam fietst elke dag naar de stad.

Mevrouw Van Dam fietste elke dag naar de stad.

Mevrouw Van Dam is elke dag naar de stad gefietst.

6

Haar dochter gaat ook naar de stad.

Haar dochter ging ook naar de stad.

Haar dochter is ook naar de stad gegaan.

7

Zij praten met de bakker.

Zij praatten met de bakker.

Zij hebben met de bakker gepraat.

8

De bakker bakt heerlijk brood.

De bakker bakte heerlijk brood.

De bakker heeft heerlijk brood gebakken.

9

Het regent vaak in Nederland.

Het regende vaak in Nederland.

Het heeft vaak in Nederland geregend.

10

De studenten luisteren naar de leraar.

De studenten luisterden naar de leraar.

De studenten hebben naar de leraar geluisterd.

11

Zij kennen de goede antwoorden.

Zij kenden de goede antwoorden.

Zij hebben de goede antwoorden gekend.

12

Ik hoor een man in het huis.

Ik hoorde een man in het huis.

Ik heb een man in het huis gehoord.

13

Mijn zuster leert elke dag veel nieuwe woorden.

Mijn zuster leerde elke dag veel nieuwe woorden.

Mijn zuster heeft elke dag veel nieuwe woorden geleerd.

14

Wij oefenen in de garage.

Wij oefenden in de garage.

Wij hebben in de garage geoefend.

15

De groente van de markt smaakt heerlijk.

De groente van de markt smaakte heerlijk.

De groente van de markt heeft heerlijk gesmaakt.

16

Lenen jullie altijd geld bij de bank?

Leenden jullie altijd geld bij de bank?

Hebben jullie altijd geld bij de bank geleend?

17

De baby speelt in de kinderkamer.

De baby speelde in de kinderkamer.

De baby heeft in de kinderkamer gespeeld.

18

Vader parkeert zijn auto voor de voordeur.

Vader parkeerde zijn auto voor de voordeur.

Vader heeft zijn auto voor de voordeur geparkeerd.

19

Kook jij de groente altijd zo lang?

Kookte jij de groente altijd zo lang?

Heb jij de groente altijd zo lang gekookt?

20

De vrouwen winkelen in de stad.

De vrouwen winkelden in de stad.

De vrouwen hebben in de stad gewinkeld.

21

Het vuur brandt al een uur.

Het vuur brandde al een uur.

Het vuur heeft al een uur gebrand.

22

Ik zeil graag op het IJsselmeer.

Ik zeilde graag op het IJsselmeer

Ik heb graag op het IJsselmeer gezeild.

23

Waarom beantwoord je mijn vraag niet?

Waarom beantwoordde je mijn vraag niet?

Waarom heb je mijn vraag niet beantwoord?

24

Zij halen de fiets uit de schuur.

Zij haalden de fiets uit de schuur.

Zij hebben de fiets uit de schuur gehaald.

25

Wim plaagt de hond.

Wim plaagde de hond.

Wim heeft de hond geplaagd.




3.4 Inversion of subject and verb
Inversion of Subject and Verb

The basic order of a Dutch sentence is:

2. verb 3. other elements of the sentence.

If an adverb or other elements for some reason precedes the subject, the order of subject - verb is inverted.

1. 2. Mevrouw Van Dam heeft drie kinderen.

2. 1. Nu(now) heeft mevrouw Van Dam drie kinderen.  

Exercise 36. Rewrite the following sentences, adding first `vandaag' (today) and then `gisteren' (yesterday - Present Perfect Tense) to the beginning:

1. Hij woont in Leiden. 2. Wij hebben drie kinderen. 3. Het kind speelt in de tuin (yard). 4. Henk luistert naar(to) de radio. 5. Hannie oefent op(on) de piano. 6. Vader werkt in de tuin. 7. Jullie fietsen naar Amsterdam.

25 9. Zij parkeren de auto in de garage. 10.Moeder kookt het eten (the food).
 

1

Hij woont in Leiden.

Vandaag woont hij in Leiden.

Gisteren heeft hij in Leiden gewoond.

2

Wij hebben drie kinderen.

Vandaag hebben wij drie kinderen.

Gisteren hebben wij drie kinderen gehad.

3

Het kind speelt in de tuin.

Vandaag speelt het kind in de tuin.

Gisteren heeft het kind in de tuin gespeeld.

4

Henk luistert naar de radio.

Vandaag luistert Henk naar de radio.

Gisteren heeft Henk naar de radio geluisterd.

5

Hannie oefent op de piano.

Vandaag oefent Hannie op de piano.

Gisteren heeft Hannie op de piano geoefend.

6

Vader werkt in de tuin.

Vandaag werkt vader in de tuin.

Gisteren heeft vader in de tuin gewerkt.

7

Jullie fietsen naar Amsterdam.

Vandaag fietsen jullie naar Amsterdam.

Gisteren zijn jullie naar Amsterdam gefietst.

8

??

??

??

9

Zij parkeren de auto in de garage.

Vandaag parkeren zij de auto in de garage.

Gisteren hebben zij de auto in de garage geparkeerd.

10

Moeder kookt het eten.

Vandaag kookt moeder het eten.

Gisteren heeft moeder het eten gekookt.


3.5 Not
Niet:

`Niet' normally follows the verb: Wij gaan naar huis. Wij gaan niet naar huis.

As a rule `niet' precedes the adverb it negates: Hij eet veel (he eats much) - Hij eet niet veel (he doesn't eat much)

`Niet' usually follows the object: Ik zie (see) hem - Ik zie hem niet.

The positive form of `niet' is `wel'.

Example: Henk werkt niet. Wim werkt wel. (Henk does not work. Wim does.)

Henk houdt niet van fietsen. Wim houdt wel van fietsen. (Wim wel.)

 

Exercise 37. Give the correct form of the verb, then rewrite the sentences in a. the Past and b. the Present Perfect Tense.

1. Vandaag (koken) hij aardappelen en groente.

2. Jij (luisteren) niet goed naar mij.

3. Wim (oefenen) vijf keer per week.

4. De atleten (wonen) in het olympisch dorp(village).

5. Zij (praten) met hun trainers.

6. Ik (horen) niet veel.

7. (Branden) het vuur goed?

8. De kinderen (spelen) op straat.

9. Het (regenen) de hele dag.

10. In de zomer (zeilen) wij veel.
 

No.

Present tense

Past tense

Present Perfect tense

1

Vandaag kookt hij aardappelen en groente.

Vandaag kookte hij aardappelen en groente.

Vandaag heeft hij aardappelen en groente gekookt.

2

Jij luistert niet goed naar mij.

Jij luisterde niet goed naar mij.

Jij hebt niet goed naar mij geluisterd.

3

Wim oefent vijf keer per week.

Wim oefende vijf keer per week.

Wim heeft vijf keer per week geoefend.

4

De atleten wonen in het olympisch dorp.

De atleten woonden in het olympisch dorp.

De atleten hebben in het olympisch dorp gewoond.

5

Zij praten met hun trainers.

Zij praatten met hun trainers.

Zij hebben met hun trainers gepraat.

6

Ik hoor niet veel.

Ik hoorde niet veel.

Ik heb niet veel gehoord.

7

Brandt het vuur goed?

Brandde het vuur goed?

Heeft het vuur goed gebrand?

8

De kinderen spelen op straat.

De kinderen speelden op straat.

De kinderen hebben op straat gespeeld.

9

Het regent de hele dag.

Het regende de hele dag.

Het heeft de hele dag geregend.

10

In de zomer zeilen wij veel.

In de zomer zeilden wij veel.

In de zomer hebben wij veel gezeild.


3.6 New words 3   
 

de winkel the store 
het kantoor the office
de stad the city
het eten the food, meal
de aardappel the potato
de school the school
de groente the vegetables
de muziek the music
de piano the piano
het uur the hour
het huiswerk the homework
de kilometer the kilometer
   
tekenen to draw
fietsen to bike
houden van to like
doen to do
spelen to play
koken to cook, boil
winkelen to go shopping
oefenen to exercise, train, practice
buitenshuis outside the house
gisteren yesterday
vanmorgen this morning
middag afternoon
avond evening
nacht night (tonight)
verleden week last week
jaar year
maand month
elk(e) each
ook also
bij at
met with
heerlijk delicious
eerst first
verder further
zoveel so much, many 
toen then (past tense)
duizend(en) thousand(s)
waar where
vandaag today
maandag Monday
dinsdag Tuesday
woensdag Wednesday
donderdag Thursday
vrijdag Friday
zaterdag Saturday
zondag Sunday
Duitsland Germany
Frankrijk France
Spanje Spain
Zwitserland Switzerland
Oostenrijk Austria
Rusland Russia
Belgie Belgium

 


3.7 Saturday at the van Dam's  
ZATERDAG BIJ DE VAN DAMS

Meneer Van Dam werkt in een kantoor. Zijn kantoor is in de stad. Vandaag werkt hij niet: het is zaterdag. Gisteren heeft hij wel gewerkt. Mevrouw Van Dam werkt niet buitenshuis. Ze is vanmorgen naar de winkel geweest. De kinderen zijn vandaag niet naar school geweest. Hannie is met haar moeder naar de winkel geweest. Zij heeft ook getekend. Zij houdt van tekenen. Zij heeft vanmorgen een mooi huis getekend. Wim houdt van fietsen. Hij heeft verleden jaar duizenden kilometers gefietst. Eerst is hij naar Belgie en Duitsland gefietst. Toen is hij naar Frankrijk en Zwitserland gefietst. Henk houdt niet van fietsen. Hij houdt van muziek. Hij speelt piano. Hij oefent elke dag. Hij heeft vanmorgen twee en een half uur geoefend. Moeder houdt niet zo veel van huiswerk. Zij houdt van koken. Zij kookt heerlijk. Gisteren heeft zij groente en aard- appelen gekookt. Het smaakte heerlijk.


Exercise 38.
Vertaal de bovenstaande zinnen.

1

Meneer van Dam werkt in een kantoor.

Mr. van Dam works in an office.

2

Zijn kantoor is in de stad.

His office is in the city.

3

Nee, hij heeft vandaag niet gewerkt.

No, he didn’t work today.

4

Ja, hij heeft gisteren gewerkt.

Yes, he worked yesterday.

5

Vandaag is Mevrouw van Dam naar de winkel geweest.

Today Mrs. van Dam was at the shop.

6

Ja, zij heeft gewinkeld.

Yes, she went shopping.

7

Ja, Hannie heeft ook gewinkeld.

Yes, Hannie also went shopping.

8

Nee, Wim heeft niet gewinkeld.

No, Wim did not go shopping.

9

Verleden jaar heeft Wim duizenden kilometers gefietst.

Last year Wim cycled thousands of kilometres.

10

Vanmorgen heeft Henk op de piano geoefend.

Henk practiced the piano this morning.

Exercise 39. Beantwoord de vragen:

1. Waar werkt meneer Van Dam?
2. Waar is zijn kantoor?
3. Heeft meneer Van Dam vandaag gewerkt?
4. Heeft hij gisteren gewerkt?
5. Wat heeft mevrouw Van Dam vanmorgen gedaan?
6. Heeft ze gewinkeld?
7. Heeft Hannie ook gewinkeld?
8. Heeft Wim ook gewinkeld?
9. Wat heeft Wim verleden jaar gedaan?
10. Wat heeft Henk vanmorgen gedaan?

1. Werk jij in een kantoor?  
2. Heb je vanmorgen gestudeerd?
3. Heb je gisteren gewerkt?
4. Houd je van fietsen?
5. Houd je van muziek?
6. Houd je van winkelen?
7. Heb je gisteravond gewinkeld?
8. Heb je zaterdag gewinkeld?
9. Houd je van koken?
10. Heb je gisteren gekookt?

Mr. van Dam works in an office. His office is in the city. He is not working today: it is Saturday. Yesterday he worked. Mrs. van Dam doesn’t work outside the house. She was at the shop this morning. The children were not at school today. Hannie was at the shop with her mother. She also drew. She likes to draw. She drew a pretty house this morning. Wim likes cycling. He cycled thousands of kilometers last year. First he cycled to Belgium and Germany. Then he cycled to France and Switzerland. Henk doesn’t like cycling. He likes music. He plays piano. He practices every day. He practiced for two and a half hours this morning. Mother doesn’t like housework so much. She likes to cook. She cooks deliciously. Yesterday she cooked vegetables and potatoes. It tasted delicious.

Exercise 40. Change the following sentences into a. the Past Tense, b. the Present Perfect Tense, and then translate a. into English.

1. Wij wonen in Michigan.

2. Mijn ouders (parents) hebben een mooi huis in de stad.

3. Haar broer woont ook in Michigan.

4. Hij heeft een vrouw.

5. Hij en zijn vrouw hebben drie kinderen.

6. Ik werk altijd (always) in de tuin (garden).

7. Ik ben student.

8. Mijn vriend en ik studeren in de bibliotheek (library).

9. Wij fietsen naar school.

10. Wij zijn goede vrienden.

11. Wim speelt piano.

12. Zijn zuster heet Hannie. (heten - heette - geheten: to be called)

13. Zij praat met (with) Wim.

14. Hun vader en moeder praten ook.

15. Moeder kookt het eten (food).

16. Het eten smaakt lekker.

17. Henk plaagt zijn broer. (plagen - to tease)

18. Zij lenen onze auto.

19. Vader parkeert zijn auto in de garage. (parkeren - to park)

20. Zij poetsen hun schoenen (shoes). (poetsen - to brush)

21. Moeder en haar dochter winkelen (to shop) in de stad (city).

22. Hoeveel kosten (kostte - gekost: to cost) de boeken?

23. Wij zijn niet rijk (rich).

24. Heb jij ook geen geld (money)?

25. Hun ouders hebben wel veel geld.
 
 

Past tense

Present Perfect tense

English of past tense

1

Wij woonden in Michigan.

Wij hebben in Michigan gewoond.

We lived in Michigan.

2

Mijn ouders hadden een mooi huis in de stad.

Mijn ouders hebben een mooi huis in de stad gehad.

My parents had a lovely house in town.

3

Haar broer woonde ook in Michigan.

Haar broer heeft ook in Michigan gewoond.

Her brother also lived in Michigan.

4

Hij had een vrouw.

Hij heeft een vrouw gehad.

He had a wife.

5

Hij en zijn vrouw hadden drie kinderen.

Hij en zijn vrouw hebben drie kinderen gehad.

He and his wife had three children.

6

Ik werkte altijd in de tuin.

Ik heb altijd in de tuin gewerkt.

I always worked in the garden.

7

Ik was student.

Ik ben student geweest.

I was a student.

8

Mijn vriend en ik studeerden in de bibliotheek.

Mijn vriend en ik hebben in de bibliotheek gestudeerd.

My friend and I studied in the library.

9

Wij fietsten naar school.

Wij zijn naar school gefietst.

We cycled to school.

10

Wij waren goede vrienden.

Wij zijn goede vrienden geweest.

We were good friends.

11

Wim speelde piano.

Wim heeft piano gespeeld.

Wim played the piano.

12

Zijn zuster heette Hannie.

Zijn zuster heeft Hannie geheten.

His sister was called Hannie.

13

Zij praatte met Wim.

Zij heeft met Wim gepraat.

She talked with Wim.

14

Hun vader en moeder praatten ook.

Hun vader en moeder hebben ook gepraat.

Their father and mother also talked.

15

Moeder kookte het eten.

Moeder heeft het eten gekookt.

Mother cooked the food.

16

Het eten smaakte lekker.

Het eten heeft lekker gesmaakt.

The food tasted nice.

17

Henk plaagde zijn broer.

Henk heeft zijn broer geplaagd.

Henk teased his brother.

18

Zij leenden onze auto.

Zij hebben onze auto geleend.

They borrowed our car.

19

Vader parkeerde zijn auto in de garage.

Vader heeft zijn auto in de garage geparkeerd.

Father parked his car in the garage.

20

Zij poetsten hun schoenen

Zij hebben hun schoenen gepoetst.

They brushed their shoes.

21

Moeder en haar dochter winkelden in de stad.

Moeder en haar dochter hebben in de stad gewinkeld.

Mother and her daughter shopped in the city.

22

Hoeveel kostten de boeken?

Hoeveel hebben de boeken gekost?

How much did the books cost?

23

Wij waren niet rijk.

Wij zijn niet rijk geweest.

We were not rich.

24

Had jij ook geen geld?

Heb jij ook geen geld gehad?

Didn’t you also have any money?

25

Hun ouders hadden wel veel geld.

Hun ouders hebben wel veel geld gehad.

Their parents had a lot of money.

 

------Learn Dutch online courses


2003-2005 copyright www.learndutch.nu ®