Weak Verbs:
The
verb `werken'(to work) can serve as a model for a group of so-called
weak verbs which are all conjugated the same way and form the
various tenses on the same principles. These verbs are called `weak'
because the stem of the verb, in this case `werk', never changes.
werken(to work)
| Person |
Present Indefinite |
Past Indefinite |
Present Perfect |
|
1 |
ik werk |
ik werkte |
ik heb gewerkt |
|
2 |
jij werkt |
jij werkte |
jij hebt gewerkt |
|
3 |
hij werkt |
hij werkte |
hij heeft gewerkt |
|
3 |
zij werkt |
zij werkte |
zij heeft gewerkt |
|
3 |
het werkt |
het werkte |
het heeft gewerkt |
|
1 |
wij werken |
wij werkten |
wij hebben gewerkt |
|
2 |
jullie werken |
jullie werkten |
jullie hebben gewerkt |
|
3 |
zij werken |
zij werkten |
zij hebben gewer |
luisteren(to listen)
| Person |
Present Indefinite |
Past Indefinite |
Present Perfect |
|
1 |
ik luister |
ik luisterde |
ik heb geluisterd |
|
2 |
jij luistert |
jij luisterde |
jij hebt geluisterd |
|
3 |
hij luistert |
hij luisterde |
hij heeft geluisterd |
|
3 |
zij luistert |
zij luisterde |
zij heeft geluisterd |
|
3 |
het luistert |
het luisterde |
het heeft geluisterd |
|
1 |
wij luisteren |
wij luisterden |
wij hebben geluisterd |
|
2 |
jullie luisteren |
jullie luisterden |
jullie hebben geluisterd |
|
3 |
zij luisteren |
zij luisterden |
zij hebben geluisterd |
Words
that have a k, f, s, ch, or p before the `-en' in the infinitive,
such as `werken' above, form the Past Tense and Perfect Tenses by
means of a t; all other weak verbs take a d.
Note:
The same happens in spoken form in English words: a t is heard in
`worked' and `chopped' although these words are spelled with a d. In
words like `listened' and `lived' on the other hand, a d sound is
heard. An easy way to remember which words take t is to form a word
of the letters mentioned above, namely KoFSCHiP.
Other
verbs in this group are: wandelen(to stroll, to go for a walk),
poetsen(to brush), fietsen(to bike), branden (to burn), winkelen(to
go shopping), antwoorden(to answer), regenen(to rain), tekenen(to
draw), oefenen(to practice, to exercise), and zeilen(to sail).
Exercise 31. Conjugate the words in
the previous paragraph in the same way as in the examples above.
A verb
which is also `weak' because the stem doesn't change, is, for
example, `wonen'(to live, to reside). Words like `wonen' are here
put in a different group because of the difference in spelling.
| Person |
Present Indefinite |
Past Indefinite |
Present Perfect |
|
1 |
ik brand |
ik brandde |
ik heb gebrand |
|
2 |
jij brandt |
jij brandde |
jij hebt gebrand |
|
3 |
hij brandt |
hij brandde |
hij heeft gebrand |
|
1 |
wij branden |
wij brandden |
wij hebben gebrand |
|
2 |
jullie branden |
jullie brandden |
jullie hebben gebrand |
|
3 |
zij branden |
zij brandden |
zij hebben gebrand |
Other
verbs that belong to the same group are, among others, leren(to
learn), maken(to make), smaken(to taste), spelen(to play),
parkeren(to park), horen(to hear), koken(to cook or boil), lenen(to
lend or borrow), plagen(to tease), halen(to fetch), and menen(to
mean).
Exercise 32. Conjugate the verbs
above in all three given tenses.
3.2 Tenses of 'to be'
Tenses
of `zijn':
| Present Indefinite |
Past Indefinite |
Present Perfect |
|
ik ben |
ik was |
ik ben geweest (I have been) |
|
jij bent |
jij was |
jij bent geweest |
|
hij is |
hij was |
hij is geweest |
|
wij zijn |
wij waren |
wij zijn geweest |
|
jullie zijn |
jullie waren |
jullie zijn geweest |
|
zij zijn |
zij waren |
zij zijn geweest |
3.3 Tenses of 'to have'
Tenses of hebben:
| Present Indefinite |
Past Indefinite |
Present Perfect |
|
ik heb |
ik had |
ik heb gehad |
|
jij hebt |
jij had |
jij hebt gehad |
|
hij heeft |
hij had |
hij heeft gehad |
|
wij hebben |
wij hadden |
wij hebben gehad |
|
jullie hebben |
jullie hadden |
jullie hebben gehad |
|
zij hebben |
zij hadden |
zij hebben gehad |
Exercise 33. Change the following
sentences first in the Past Tense and then in the Present Perfect
Tense:
1. Ik
heb een zusje. 2. Wij hebben een mooi huis. 3. Jij hebt een broer.
4. Hij heeft drie kinderen. 5. Jullie hebben een tafel. 6. Zij heeft
twee zusjes. 7. Zij hebben een huis.
Verbs expressing motion or change of state:
The
verbs `komen' (to come), `gaan'(to go), `worden'(to become),
`gebeuren'(to happen), `zijn', and certain other verbs ,if they
express motion to a destination, such as `fietsen', `zwemmen'(to
swim), `rijden'(to ride), `vertrekken'(to leave or depart),
`lopen'(to walk), etc. take the helping verb `zijn'.
ik ben
gekomen, jij bent gekomen, hij is gekomen, etc. ik ben gegaan, jij
bent gegaan, hij is gegaan, etc.
ik ben
(naar school (to school)) gefietst, etc.
Also:
de trein is vertrokken (the train has left), etc.
het is
gebeurd (it has happened), etc. het is koud geworden (it has become
cold), etc.
Also:
hij is geboren (he was born), etc. hij is gestorven (he has died),
etc. zij is getrouwd (she was married), etc.
Exercise 34. Give the correct form of
the verb, in the Present Tense, the Past Tense, and the Present
Perfect Tense:
1. Ik
(zijn) (g)een meisje.
2.
Mary (zijn) ook een meisje.
3.
(Zijn) jij een man of een vrouw?
4.
Hij (hebben) een goed boek.
5.
(Hebben) jij ook een mooi boek?
6. De
jongen (wandelen) in de tuin.
7.
Mary (werken) in de
stad.
8.
(Luisteren) jullie naar de radio?
9.
Philip (luisteren) niet.
10.
Hij (praten) te veel.
11. De
atleet (oefenen) elke morgen (morning).
12.
Waar (planten) je vader de boom?
13. Ik
(kennen (to know a person) de vrouw niet.
14.
Suzan (branden) haar vinger.
15.
(Zagen (to saw, cut) jij het hout voor het vuur?
16.
(Wonen) (to live) je vriendin in Grand Rapids?
17.
Nee, zij (wonen) in Grand Haven.
18. Ik
(pakken) het boek van de tafel.
19.
Waar (zijn) het boek?
20.
Het kind (spelen) (to play) buiten (outside).
21.
Waar (maken) ze auto's?
22.
Zij (singular) (studeren) Nederlands.
23. De
student (beantwoorden) de vraag (question).
24.
(Oefenen) jij elke (every) dag op de piano?
25. De
speler (raken) (to touch) de bal (ball).
|
No. |
Present tense |
Past tense |
Present Perfect
tense |
|
1 |
Ik ben (g)een
meisje. |
Ik was (g)een
meisje. |
Ik ben (g)een
meisje geweest. |
|
2 |
Mary is ook een
meisje. |
Mary was ook een
meisje. |
Mary is ook een
meisje geweest. |
|
3 |
Ben jij een man of
een vrouw? |
Was jij een man of
een vrouw? |
Ben jij een man of
een vrouw geweest? |
|
4 |
Hij heeft een goed
boek. |
Hij had een goed
boek. |
Hij heeft een goed
boek gehad. |
|
5 |
Heb jij ook een
mooi boek? |
Had jij ook een
mooi boek? |
Heb jij ook een
mooi boek gehad? |
|
6 |
De jongen wandelt
in de tuin. |
De jongen wandelde
in de tuin. |
De jongen heeft in
de tuin gewandeld. |
|
7 |
Mary werkt in de
stad |
Mary werkte in de
stad |
Mary heeft in de
stad gewerkt. |
|
8 |
Luisteren jullie
naar de radio? |
Luisterden jullie
naar de radio? |
Hebben jullie naar
de radio geluisterd? |
|
9 |
Philip luistert
niet. |
Philip luisterde
niet. |
Philip heeft niet
geluisterd. |
|
10 |
Hij praat te veel. |
Hij praatte te
veel. |
Hij heeft te veel
gepraat. |
|
11 |
De atleet oefent
elke morgen. |
De atleet oefende
elke morgen. |
De atleet heeft
elke morgen geoefend. |
|
12 |
Waar plant je
vader de boom? |
Waar plantte je
vader de boom? |
Waar heeft je
vader de boom geplant? |
|
13 |
Ik ken de vrouw
niet. |
Ik kende de vrouw
niet. |
Ik heb de vrouw
niet gekend. |
|
14 |
Suzan brandt haar
vinger. |
Suzan brandde haar
vinger. |
Suzan heeft haar
vinger gebrand. |
|
15 |
Zaag jij het hout
voor het vuur? |
Zaagde jij het
hout voor het vuur? |
Heb jij het hout
voor het vuur gezaagd? |
|
16 |
Woont je vriendin
in Grand Rapids? |
Woonde je vriendin
in Grand Rapids? |
Heeft je vriendin
in Grand Rapids gewoond? |
|
17 |
Nee, zij woont in
Grand Haven. |
Nee, zij woonde in
Grand Haven. |
Nee, zij heeft in
Grand Haven gewoond. |
|
18 |
Ik pak het boek
van de tafel. |
Ik pakte het boek
van de tafel. |
Ik heb het boek
van de tafel gepakt. |
|
19 |
Waar is het boek? |
Waar was het boek? |
Waar is het boek
geweest? |
|
20 |
Het kind speelt
buiten. |
Het kind speelde
buiten. |
Het kind heeft
buiten gespeeld. |
|
21 |
Waar maken ze
auto’s? |
Waar maakten ze
auto’s? |
Waar hebben ze
auto’s gemaakt? |
|
22 |
Zij studeert
Nederlands. |
Zij studeerde
Nederlands. |
Zij heeft
Nederlands gestudeerd. |
|
23 |
De student
beantwoordt de vraag. |
De student
beantwoordde de vraag. |
De student heeft
de vraag beantwoord. |
|
24 |
Oefen jij elke dag
op de piano? |
Oefende jij elke
dag op de piano? |
Heb jij elke dag
op de piano geoefend? |
|
25 |
De speler raakt de
bal. |
De speler raakte
de bal. |
De speler heeft de
bal geraakt. |
Exercise 35. Change the following
sentences first a) into the Past, then b) into the Present Perfect
Tense.
1.
Meneer Van Dam werkt in Amsterdam.
2. Hij
heeft een mooi huis.
3. Hij
woont niet in de stad.
4. Is
zijn vrouw ziek?
5.
Mevrouw Van Dam fietst elke dag naar de stad. (motion)
6.
Haar dochter (daughter) gaat(ging - gegaan: to go) ook naar de stad.
7. Zij
praten met de bakker.
8. De
bakker bakt (bakte - gebakken) heerlijk (delicious) brood.
9. Het
regent vaak (often) in Nederland.
10. De
studenten luisteren naar (to) de leraar (teacher).
11.
Zij kennen de goede antwoorden.
12. Ik
hoor een man in het huis.
13.
Mijn zuster leert elke dag veel nieuwe woorden.
14.
Wij oefenen in de garage.
15. De
groente van de markt smaakt heerlijk.
16.
Lenen jullie altijd geld bij de bank?
17. De
baby speelt in de kinderkamer.
18.
Vader parkeert zijn auto voor de voordeur.
19.
Kook jij de groente altijd zo lang?
20. De
vrouwen winkelen in de stad.
21.
Het vuur brandt al(already) een uur.
22. Ik
zeil graag(with pleasure) op het IJsselmeer.
23.
Waarom (why) beantwoord je mijn vraag niet?
24.
Zij halen (to fetch) de fiets uit (from) de schuur (shed).
25.
Wim plaagt de hond.
|
1 |
Meneer Van Dam
werkt in Amsterdam. |
Meneer Van Dam
werkte in Amsterdam. |
Meneer Van Dam
heeft in Amsterdam gewerkt. |
|
2 |
Hij heeft een mooi
huis. |
Hij had een mooi
huis. |
Hij heeft een mooi
huis gehad. |
|
3 |
Hij woont niet in
de stad. |
Hij woonde niet in
de stad. |
Hij heeft niet in
de stad gewoond. |
|
4 |
Is zijn vrouw
ziek? |
Was zijn vrouw
ziek? |
Is zijn vrouw ziek
geweest? |
|
5 |
Mevrouw Van Dam
fietst elke dag naar de stad. |
Mevrouw Van Dam
fietste elke dag naar de stad. |
Mevrouw Van Dam is
elke dag naar de stad gefietst. |
|
6 |
Haar dochter gaat
ook naar de stad. |
Haar dochter ging
ook naar de stad. |
Haar dochter is
ook naar de stad gegaan. |
|
7 |
Zij praten met de
bakker. |
Zij praatten met
de bakker. |
Zij hebben met de
bakker gepraat. |
|
8 |
De bakker bakt
heerlijk brood. |
De bakker bakte
heerlijk brood. |
De bakker heeft
heerlijk brood gebakken. |
|
9 |
Het regent vaak in
Nederland. |
Het regende vaak
in Nederland. |
Het heeft vaak in
Nederland geregend. |
|
10 |
De studenten
luisteren naar de leraar. |
De studenten
luisterden naar de leraar. |
De studenten
hebben naar de leraar geluisterd. |
|
11 |
Zij kennen de
goede antwoorden. |
Zij kenden de
goede antwoorden. |
Zij hebben de
goede antwoorden gekend. |
|
12 |
Ik hoor een man in
het huis. |
Ik hoorde een man
in het huis. |
Ik heb een man in
het huis gehoord. |
|
13 |
Mijn zuster leert
elke dag veel nieuwe woorden. |
Mijn zuster leerde
elke dag veel nieuwe woorden. |
Mijn zuster heeft
elke dag veel nieuwe woorden geleerd. |
|
14 |
Wij oefenen in de
garage. |
Wij oefenden in de
garage. |
Wij hebben in de
garage geoefend. |
|
15 |
De groente van de
markt smaakt heerlijk. |
De groente van de
markt smaakte heerlijk. |
De groente van de
markt heeft heerlijk gesmaakt. |
|
16 |
Lenen jullie
altijd geld bij de bank? |
Leenden jullie
altijd geld bij de bank? |
Hebben jullie
altijd geld bij de bank geleend? |
|
17 |
De baby speelt in
de kinderkamer. |
De baby speelde in
de kinderkamer. |
De baby heeft in
de kinderkamer gespeeld. |
|
18 |
Vader parkeert
zijn auto voor de voordeur. |
Vader parkeerde
zijn auto voor de voordeur. |
Vader heeft zijn
auto voor de voordeur geparkeerd. |
|
19 |
Kook jij de
groente altijd zo lang? |
Kookte jij de
groente altijd zo lang? |
Heb jij de groente
altijd zo lang gekookt? |
|
20 |
De vrouwen
winkelen in de stad. |
De vrouwen
winkelden in de stad. |
De vrouwen hebben
in de stad gewinkeld. |
|
21 |
Het vuur brandt al
een uur. |
Het vuur brandde
al een uur. |
Het vuur heeft al
een uur gebrand. |
|
22 |
Ik zeil graag op
het IJsselmeer. |
Ik zeilde graag op
het IJsselmeer |
Ik heb graag op
het IJsselmeer gezeild. |
|
23 |
Waarom beantwoord
je mijn vraag niet? |
Waarom
beantwoordde je mijn vraag niet? |
Waarom heb je mijn
vraag niet beantwoord? |
|
24 |
Zij halen de fiets
uit de schuur. |
Zij haalden de
fiets uit de schuur. |
Zij hebben de
fiets uit de schuur gehaald. |
|
25 |
Wim plaagt de
hond. |
Wim plaagde de
hond. |
Wim heeft de hond
geplaagd. |
3.4 Inversion of
subject and verb
Inversion of Subject and Verb
The
basic order of a Dutch sentence is:
2.
verb 3. other elements of the sentence.
If an
adverb or other elements for some reason precedes the subject, the
order of subject - verb is inverted.
1. 2.
Mevrouw Van Dam heeft drie kinderen.
2. 1.
Nu(now) heeft mevrouw Van Dam drie kinderen.
Exercise 36. Rewrite the following
sentences, adding first `vandaag' (today) and then `gisteren'
(yesterday - Present Perfect Tense) to the beginning:
1. Hij
woont in Leiden. 2. Wij hebben drie kinderen. 3. Het kind speelt in
de tuin (yard). 4. Henk luistert naar(to) de radio. 5. Hannie oefent
op(on) de piano. 6. Vader werkt in de tuin. 7. Jullie fietsen naar
Amsterdam.
25 9.
Zij parkeren de auto in de garage. 10.Moeder kookt het eten (the
food).
|
1 |
Hij woont in
Leiden. |
Vandaag woont hij
in Leiden. |
Gisteren heeft hij
in Leiden gewoond. |
|
2 |
Wij hebben drie
kinderen. |
Vandaag hebben wij
drie kinderen. |
Gisteren hebben
wij drie kinderen gehad. |
|
3 |
Het kind speelt in
de tuin. |
Vandaag speelt het
kind in de tuin. |
Gisteren heeft het
kind in de tuin gespeeld. |
|
4 |
Henk luistert naar
de radio. |
Vandaag luistert
Henk naar de radio. |
Gisteren heeft
Henk naar de radio geluisterd. |
|
5 |
Hannie oefent op
de piano. |
Vandaag oefent
Hannie op de piano. |
Gisteren heeft
Hannie op de piano geoefend. |
|
6 |
Vader werkt in de
tuin. |
Vandaag werkt
vader in de tuin. |
Gisteren heeft
vader in de tuin gewerkt. |
|
7 |
Jullie fietsen
naar Amsterdam. |
Vandaag fietsen
jullie naar Amsterdam. |
Gisteren zijn
jullie naar Amsterdam gefietst. |
|
8 |
?? |
?? |
?? |
|
9 |
Zij parkeren de
auto in de garage. |
Vandaag parkeren
zij de auto in de garage. |
Gisteren hebben
zij de auto in de garage geparkeerd. |
|
10 |
Moeder kookt het
eten. |
Vandaag kookt
moeder het eten. |
Gisteren heeft
moeder het eten gekookt. |
3.5 Not
Niet:
`Niet'
normally follows the verb: Wij gaan naar huis. Wij gaan niet naar
huis.
As a
rule `niet' precedes the adverb it negates: Hij eet veel (he eats
much) - Hij eet niet veel (he doesn't eat much)
`Niet'
usually follows the object: Ik zie (see) hem - Ik zie hem niet.
The
positive form of `niet' is `wel'.
Example: Henk werkt niet. Wim werkt wel. (Henk does not work. Wim
does.)
Henk
houdt niet van fietsen. Wim houdt wel van fietsen. (Wim wel.)
Exercise 37. Give the correct form of
the verb, then rewrite the sentences in a. the Past and b. the
Present Perfect Tense.
1.
Vandaag (koken) hij aardappelen en groente.
2. Jij
(luisteren) niet goed naar mij.
3. Wim
(oefenen) vijf keer per week.
4. De
atleten (wonen) in het olympisch dorp(village).
5. Zij
(praten) met hun trainers.
6. Ik
(horen) niet veel.
7.
(Branden) het vuur goed?
8. De
kinderen (spelen) op straat.
9. Het
(regenen) de hele dag.
10. In
de zomer (zeilen) wij veel.
|
No. |
Present tense |
Past tense |
Present Perfect
tense |
|
1 |
Vandaag kookt hij
aardappelen en groente. |
Vandaag kookte hij
aardappelen en groente. |
Vandaag heeft hij
aardappelen en groente gekookt. |
|
2 |
Jij luistert niet
goed naar mij. |
Jij luisterde niet
goed naar mij. |
Jij hebt niet goed
naar mij geluisterd. |
|
3 |
Wim oefent vijf
keer per week. |
Wim oefende vijf
keer per week. |
Wim heeft vijf
keer per week geoefend. |
|
4 |
De atleten wonen
in het olympisch dorp. |
De atleten woonden
in het olympisch dorp. |
De atleten hebben
in het olympisch dorp gewoond. |
|
5 |
Zij praten met hun
trainers. |
Zij praatten met
hun trainers. |
Zij hebben met hun
trainers gepraat. |
|
6 |
Ik hoor niet veel.
|
Ik hoorde niet
veel. |
Ik heb niet veel
gehoord. |
|
7 |
Brandt het vuur
goed? |
Brandde het vuur
goed? |
Heeft het vuur
goed gebrand? |
|
8 |
De kinderen spelen
op straat. |
De kinderen
speelden op straat. |
De kinderen hebben
op straat gespeeld. |
|
9 |
Het regent de hele
dag. |
Het regende de
hele dag. |
Het heeft de hele
dag geregend. |
|
10 |
In de zomer zeilen
wij veel. |
In de zomer
zeilden wij veel. |
In de zomer hebben
wij veel gezeild. |
3.6 New words 3

| de
winkel |
the
store |
| het
kantoor |
the
office |
| de
stad |
the
city |
| het
eten |
the
food, meal |
| de
aardappel |
the
potato |
| de
school |
the
school |
| de
groente |
the
vegetables |
| de
muziek |
the
music |
| de
piano |
the
piano |
| het
uur |
the
hour |
| het
huiswerk |
the
homework |
| de
kilometer |
the
kilometer |
| |
|
|
tekenen |
to
draw |
|
fietsen |
to
bike |
|
houden van |
to
like |
| doen |
to do |
|
spelen |
to
play |
| koken |
to
cook, boil |
|
winkelen |
to go
shopping |
|
oefenen |
to
exercise, train, practice |
|
buitenshuis |
outside the house |
|
gisteren |
yesterday |
|
vanmorgen |
this
morning |
|
middag |
afternoon |
| avond |
evening |
| nacht |
night
(tonight) |
|
verleden week |
last
week |
| jaar |
year |
| maand |
month |
| elk(e) |
each |
| ook |
also |
| bij |
at |
| met |
with |
|
heerlijk |
delicious |
| eerst |
first |
|
verder |
further |
|
zoveel |
so
much, many |
| toen |
then
(past tense) |
|
duizend(en) |
thousand(s) |
| waar |
where |
|
vandaag |
today |
|
maandag |
Monday |
|
dinsdag |
Tuesday |
|
woensdag |
Wednesday |
|
donderdag |
Thursday |
|
vrijdag |
Friday |
|
zaterdag |
Saturday |
|
zondag |
Sunday |
|
Duitsland |
Germany |
|
Frankrijk |
France |
|
Spanje |
Spain |
|
Zwitserland |
Switzerland |
|
Oostenrijk |
Austria |
|
Rusland |
Russia |
|
Belgie |
Belgium |
| |
Past tense |
Present Perfect
tense |
English of past tense |
|
1 |
Wij woonden in
Michigan. |
Wij hebben in
Michigan gewoond. |
We lived in
Michigan. |
|
2 |
Mijn ouders hadden
een mooi huis in de stad. |
Mijn ouders hebben
een mooi huis in de stad gehad. |
My parents had a
lovely house in town. |
|
3 |
Haar broer woonde
ook in Michigan. |
Haar broer heeft ook
in Michigan gewoond. |
Her brother also
lived in Michigan. |
|
4 |
Hij had een vrouw.
|
Hij heeft een vrouw
gehad. |
He had a wife. |
|
5 |
Hij en zijn vrouw
hadden drie kinderen. |
Hij en zijn vrouw
hebben drie kinderen gehad. |
He and his wife had
three children. |
|
6 |
Ik werkte altijd in
de tuin. |
Ik heb altijd in de
tuin gewerkt. |
I always worked in
the garden. |
|
7 |
Ik was student.
|
Ik ben student
geweest. |
I was a student. |
|
8 |
Mijn vriend en ik
studeerden in de bibliotheek. |
Mijn vriend en ik
hebben in de bibliotheek gestudeerd. |
My friend and I
studied in the library. |
|
9 |
Wij fietsten naar
school. |
Wij zijn naar school
gefietst. |
We cycled to school. |
|
10 |
Wij waren goede
vrienden. |
Wij zijn goede
vrienden geweest. |
We were good
friends. |
|
11 |
Wim speelde piano.
|
Wim heeft piano
gespeeld. |
Wim played the
piano. |
|
12 |
Zijn zuster heette
Hannie. |
Zijn zuster heeft
Hannie geheten. |
His sister was
called Hannie. |
|
13 |
Zij praatte met Wim.
|
Zij heeft met Wim
gepraat. |
She talked with Wim. |
|
14 |
Hun vader en moeder
praatten ook. |
Hun vader en moeder
hebben ook gepraat. |
Their father and
mother also talked. |
|
15 |
Moeder kookte het
eten. |
Moeder heeft het
eten gekookt. |
Mother cooked the
food. |
|
16 |
Het eten smaakte
lekker. |
Het eten heeft
lekker gesmaakt. |
The food tasted
nice. |
|
17 |
Henk plaagde zijn
broer. |
Henk heeft zijn
broer geplaagd. |
Henk teased his
brother. |
|
18 |
Zij leenden onze
auto. |
Zij hebben onze auto
geleend. |
They borrowed our
car. |
|
19 |
Vader parkeerde zijn
auto in de garage. |
Vader heeft zijn
auto in de garage geparkeerd. |
Father parked his
car in the garage. |
|
20 |
Zij poetsten hun
schoenen |
Zij hebben hun
schoenen gepoetst. |
They brushed their
shoes. |
|
21 |
Moeder en haar
dochter winkelden in de stad. |
Moeder en haar
dochter hebben in de stad gewinkeld. |
Mother and her
daughter shopped in the city. |
|
22 |
Hoeveel kostten de
boeken? |
Hoeveel hebben de
boeken gekost? |
How much did the
books cost? |
|
23 |
Wij waren niet rijk. |
Wij zijn niet rijk
geweest. |
We were not rich. |
|
24 |
Had jij ook geen
geld? |
Heb jij ook geen
geld gehad? |
Didn’t you also have
any money? |
|
25 |
Hun ouders hadden
wel veel geld. |
Hun ouders hebben
wel veel geld gehad. |
Their parents had a
lot of money. |