www.learndutch.nu

------Learn Dutch courses

Lesson 9
9.1 Demonstrative Adjectives
9.2 Prepositional Compounds
9.3 New words 9
9.4 On a trip in The Netherlands

 
   

9.1 Demonstrative Adjectives ---- Demonstrative Adjectives:

Close: dit and deze

`dit' agrees with `het' and is used to indicate objects that are close, like `this' in English.

`deze' agrees with `de' and is also used to indicate objects that are close. Since `de' refers to singular as well as plural objects, it must be translated with either `this' or `these' in English:

het boek : dit boek is van mij. (this book belongs to me.) de pen : deze pen is van mij. (this pen belongs to me.) de boeken: deze boeken zijn van mij. (these books belong to me.)

Far. dat and die:

`dat' also agrees with `het' but is used to indicate objects that are far, like `that' in English.

`die' also agrees with `de' but is used to indicate objects that are far, like `those' in English:

het boek : dat boek is van mij. (that book belongs to me.) de pen : die pen is van mij. (that pen belongs to me.) de boeken: die boeken zijn van mij. (those books belong to me.)

Exercise 69. Vertaal de volgende zinnen in het English:

1. Vader leest deze krant.
2. Geef mij dat boek.
3. Van wie zijn die schoenen?
4. Waarom heb je deze brieven niet gepost? (posten - to mail)
5. Ken (to know) je die meisjes?
6. Deze aardappelen zijn niet zo lekker.
7. Deze bank heet ABN.
8. Dit vliegtuig is op tijd.
9. Die jongens praten veel maar doen weinig.
10. Dat vak vind ik erg moeilijk.

Exercise 70. Vertaal de volgende zinnen in het Nederlands:

1. My uncle and aunt live in that house. (het huis)
2. This girl is my cousin and this boy is my little brother. (de jongen)
3. The car sosts 25 000. (to cost - kosten) (de auto)
4. Did you see those people yesterday?
5. What did that woman say to you? (de vrouw)
6. Why did you not speak to that child? (het kind)
7. Does your father work in this room or in that office? (de kamer), (het kantoor)
8. That bakery (bakkerij) has very good bread.
9. Where did you buy this meat (het vlees)?
10. When did Wim buy that nice bike? (de fiets)

A Demonstrative Pronoun used as the subject of a sentence does not have a plural form:

Dit is mijn boek. Dit zijn mijn boeken. (This is my book. These are my books.)

Dat is ons huis. Dat zijn onze vrienden. (That is our house. Those are our friends).

Exercise 71. Translate into English:

1. Wat is dit? 2. Wat zijn dat?
3. Dit is een tulp. (tulip)
4. Dat zijn ook dure bloemen.
5. Dit zijn heel goede boeken.
6. Het zijn boeken van heel bekende (well-known) schrijvers.
7. Is dat een historische (historical) roman (novel)?
8. Nee, maar dit zijn wel historische romans.
9. Het is het beste boek dat ik ooit (ever) gelezen heb.
10. Maar dat zijn ook geen slechte boeken.

Exercise 72. Vertaal in het Nederlands:

1. These are his pencils.
2. This (one) too?
3. Yes, that (one) too.
4. Those are very friendly people.
5. Are these your shoes?
6. No, those are my brother's shoes.
7. This is your room.
8. And is that your room?
9. No, that is my parents' room.
10. These are the rooms for the guests.
11. Those are beautiful rooms.
12. These are nice too, don't you think (vind je niet)?


9.2 Prepositional Compounds ---- Prepositional Compounds:

`er', `waar', `hier', and `daar', combined with a preposi- tion, are called Prepositional Compounds.

waarop - on what (waar + preposition = what + preposition) erop - on it (er " = it + " ) hierop - on this (hier + " = this + " ) daarop - on that (daar + " = that + " )

NB. Compare older English construction like: whereafter, whereupon, therewith, hereafter, etc.

In spoken Dutch these compounds are normally split into their two components:

Waar zit je op? (What are you sitting on?) Ik zit er niet op. (I am not sitting on it) Ik zit hier niet op. (I am not sitting on this) Ik zit daar nooit op. (I never sit on that)

 

Exercise 73. Translate into English:

  1. Waar praten jullie over? Over schoolwerk?
  2. Nee, daar praten we nooit over.
  3. Kunnen we daar op rekenen (count)?
  4. Ik begrijp er niets van.
  5. Hier staat geen prijs op.
  6. Waarop? Hierop?
  7. Nee, daarop.
  8. Ik wil er niet meer aan denken.
  9. Zij droomt er vaak van.
  10. Waar speelt het kind mee?
  11. Dat woord staat hier niet in.
  12. Daar geef ik geen antwoord op.
  13. Waar geef je geen antwoord op?
  14. Hier kan niemand mee werken.
  15. Waar rjd je mee naar je werk?
  16. Ik rijd soms met de bus.
  17. Daar heb je toch een auto voor!
  18. Je kan er ook in slapen.
  19. Waar kan je in slapen?
  20. Hierin natuurlijk!

Exercise 74. Vertaal in het Nederlands:

  1. I am thinking about it. (over)
  2. What are you looking at? (naar)
  3. I am looking at this.
  4. He is paying for it. (voor)
  5. Let's not talk about it. (over)
  6. We always read from it. (uit)
  7. The book is lying on it. (op)
  8. I cannot write with this. (met/mee)
  9. We will think about it.
  10. He asked for it.
  11. What were they listening to (naar)?
  12. What are you playing with?
  13. Do you always eat from that?
  14. After that we went home. (na)
  15. What is (goes) this book about?
  16. About ships. That's what it is about.
  17. I cannot live with it.
  18. Do I have to work with this?
  19. I know nothing about that.
  20. What are you sitting on?

 

laten (zien) - to let or to allow to see, to show.
Also: laten bouwen - to have built; (je haar) laten knippen - to have (one's hair) cut; (je auto) laten repareren - to have (one's car) repaired, etc.

eg.: Waar laat jij je haar knippen? - Where do you have your hair cut? (`Laten' can also mean `to let': Laat me gaan! - Let me go!)

Exercise 75. Vertaal in het Engels:

1. Wij laten een huis bouwen.
2. Ik moet mijn horloge (watch) laten repareren.
3. Waar laat je het repareren?
4. Mijn vrouw heeft haar haar laten knippen.
5. Onze buurman laat zijn garage verven. (verven - to paint)

 

Exercise 76. Vertaal in het Nederlands:

1. She is having the picture enlarged. (to enlarge - vergroten)
2. They are having their child baptized. (to baptize - dopen)
3. When did you have this picture (foto) taken?
4. On the border (grens) we are having our passports (paspoorten) stamped. (to stamp -stempelen)
5. You must have your tires checked. (tire - band; to check - nakijken, controleren)

met z'n (vijven, tweeen, etc.) - with five, two (persons), etc.

mee (gaan) - to go with eg. somebody.

In Dutch the equivalent of `somebody' may be omitted (in contrast to English).

If the main verb in a given sentence is `gaan' or `komen', these may be, and usually are, omitted if an auxiliary verb is used in the sentence, eg. Ik wil naar huis (gaan); Wij moeten mee (komen); Zij mag niet (meegaan - go along), etc.

een goeie (goede) - a good one. The substantive formed of an adjective does not require a noun in Dutch. Also: een grote, een mooie, een gele (a yellow one), etc.

`goeie' is the colloquial, but very common, form of `goede'. In the same way: `rooie' for `rode' (red), `ouwe' for `oude'.

Degrees of Comparison in Dutch are formed in much the same way as in English:

groot groter grootste
klein kleiner kleinste
duur duurder duurste
goed beter beste
veel meer meeste
weinig minder minste

o.a. (onder andere) - among others d.w.z. (dat wil zeggen) - that means (that is to say)


9.3 New words 9  Nieuwe woorden:   

 

afsluiten to shut out, to close off
noemen to call
stellen to put (e.g. a question)
passen to fit
breken to break
vechten to fight
leiden to lead
regeren to rule
varen to sail
uitleggen to explain
nakijken to check (out)
(een vraag) stellen to put (a question)
   
het deel the part
de afsluitdijk the enclosing dam, dyke
de zoon the son
de boerderij the farm
de reis the journey, trip
de buitenlander the foreigner
de inwoner the inhabitant
het volk the nation
het karakter the character
het bondgenootschap the confederation
de zeespiegel the sea level (mirror)
de atlas the atlas
het schip (schepen) the ship(s)
het rijk the empire
de filosoof the philosopher
de wereld the world
   
(on)afhankelijk (in)dependent
eigen own
vreselijk terrible(ly)
zoiets als something like
vrij free
gelukkig fortunately, luckily, happy
beneden below
vroeger in the past
mee(gaan) (to go) along, with
ver far
toch yet, still
   
Frans French
Duits German
Engels English
Spaans Spanish


9.4 On a trip in The Netherlands ---- OP REIS IN NEDERLAND   

Wim: Wie gaat er morgen mee naar Friesland?
Jim: Ik wil graag mee.
Wim: Goed. Jan heeft ook gezegd dat ze mee gaat en ik denk dat Henk en Hannie ook mee willen. Dan zijn we met z'n vijven
Jim: Wat gaan we in Friesland doen?
Wim: Ik wil jullie o.a. de afsluitdijk laten zien en ook een paar mooie boerderijen en molens. Friesland is prachtig.
Jim: Wat is de Afsluitdijk?
Wim: De afsluitdijk sluit het IJsselmeer van de zee af. Voor 1932, heette het IJsselmeer de Zuiderzee. Toen konden de schepen van Amsterdam, via de Zuiderzee, naar de Noordzee varen.
Jim: Is het niet vreselijk ver helemaal naar Friesland? Dat is toch een ander land?
Wim: Nee, heel veel buitenlanders denken dat Friesland een ander land is. De Friezen spreken wel hun eigen taal en het Friese volkskarakter is ook anders, maar Friesland is maar één van de twaalf provincies van Nederland. Kijk, hier kan je ze zien, op deze atlas. De andere elf zijn Groningen, Drente, Overijssel, Flevoland, Gelderland, Utrecht, Noordholland, Zuidholland, Zeeland, Noordbrabant en Limburg.
Jim: Dus Noordholland is niet in het Noorden en Zuidholland is niet in het Zuiden! En waarom noemen buitenlanders Nederland altijd Holland?
Wim: Je stelt wel erg moeilijke vragen! Maar na 1579 zeven provincies een bondgenootschap hebben gevormd. Dat was het begin van Nederland. Net zoiets als de confederatie van de dertien kolonies in Amerika, denk ik.
Jim: Maar je hebt mijn vraag nog niet beantwoord: waarom noemen zo veel mensen Nederland Holland?
Wim: O ja. Omdat Holland (zuid- en noord) de rijkste en grootste provincie waren.
Jim: Heeft Nederland ook een `War of Independence', hoe noem je dat, gehad?
Wim: Ja. Nederland heeft ook een vrijheidstrijd gehad. ? ? 80 jaar, d.w.z. van 1568 tot 1648 tegen Spanje gevochten. Nederland was toen een deel van het Spaanse rijk onder Karel V. Zijn zoon, Philips II, regeerde Nederland. Willem van Oranje was zoiets als George Washington: hij leidde de eerste vrije provincies tot de onafhankelijkheid.
Jim: Is het niet erg ver naar Friesland?
Wim: Nee, hoor. Twee of drie uur met de auto. Nederland is niet zo groot. Je kan Nederland elf keer in de provincie Montana passen.
Jim: Montana is geen provincie! Het is een staat!
Wim: O, dat wist ik niet. Is dat belangrijk?
Jim: Ja, dat is erg belangrijk. Dat zal ik je later uitleggen.
Wim: Dank je wel. Hoeveel inwoners heeft Montana?
Jim: Er wonen ongeveer ? ? 700 000 mensen.
Jim: Ik wist ook niet dat er mee dan veertien miljoen mensen in Nederland wonen.
Wim: Ongeveer eenderde van heel Nederland ligt beneden de zeespiegel. De dijken moeten dus erg sterk zijn.
Jim: Dus het IJsellmeer is een polder?
Wim: Nee, nog niet. Misschien wordt het later een polder. Een deel is nu al polder. Dat kan je ook hier op de atlas zien. Een polder is land dat vroeger zee was. Grote delen van Nederland waren vroeger zee. Het was de Franse filosoof Descartes die gezegd heeft: `God heeft de wereld gemaakt maar de Nederlanders hebben Nederland gemaakt!'
Jim: Dat is een goeie!


Exercise 77.
Vertaal de bovenstaande dialoog in het Engels.

Exercise 78. Beantwoord de volgende vragen:

  1. Gaat June mee naar Friesland?  
  2. Gaat Henk mee naar Friesland?
  3. Waarom wil Wim naar Friesland gaan?
  4. In welk jaar is de afsluitdijk gebouwd?
  5. Hoe heette het IJsselmeer vroeger?
  6. Is Friesland een land?
  7. Hoeveel provincies heeft Nederland?
  8. Spreken de Friezen hun eigen taal?
  9. Hebben de Friezen hun eigen volkskarakter?
  10. Wanneer hebben de zeven provincies een confederatie gevormd?
  11. Wie regeerde het Spaanse rijk?
  12. Wie regeerde Nederland?
  13. Is Nederland groter dan Montana of is Montana groter?
  14. Welk deel van Nederland ligt beneden de zeespiegel?
  15. Hoeveel mensen wonen er in Nederland?
  16. Is een deel van het oude IJsselmeer nu een polder?
  17. Wat is een polder?
  18. Ligt Amsterdam ook beneden de zeespiegel?
  19. Is het belangrijk dat de dijken erg sterk zijn?
  20. Waarom heeft Descartes gezegd dat de Nederlanders Nederland gemaakt hebben?
  1. Hoeveel staten heeft Amerika?
  2. Heeft Canada ook staten?
  3. Spreken de mensen in Canada een andere taal?
  4. Spreken de mensen in het zuiden van Amerika een andere taal?
  5. Hebben de mensen in het zuiden een ander volkskarakter?
  6. Wanneer was de Amerikaanse vrijheidstrijd?
  7. Wie was de eerste president van Amerika?
  8. Wat is de grootste staat van de Verenigde Staten?
  9. Wat is de grootste provincie van Canada?
  10. Kan je zeggen dat de Nederlanders Nederland gemaakt hebben?
         

------Learn Dutch online courses


2003-2005 copyright www.learndutch.nu ®